Main Content

Fragment uit De @-cultuur van Andrew Keen

  • 07.04.2008
Bieslog foto Andrew Keen
Zoom
Bieslog foto Andrew Keen
Andrew Keen

Lees hier enkele fragmenten uit het derde hoofdstuk ('Waarheid en leugen') van Andrew Keens boek 'De @-cultuur'. Uit: De @-Cultuur (Meulenhoff 2008) van Andrew Keen. Uit het Engels vertaald door R. Kruis (Originele titel: The Cult of the Amateur. How the Internet is Killing Our Culture and Assaulting Our Economy). ISBN: 978-90-290-8119-1

Over waarheid en leugen

3 Waarheid en leugen

Er gaat geen dag voorbij zonder dat er zich iets voordoet dat een vraagteken plaatst bij de betrouwbaarheid, de accuratesse en het waarheidsgehalte van de informatie die we op internet aantreffen. Soms is het een verhaal over reclames die eruitzien als een persoonlijke pagina op MySpace of Facebook. Of een populaire video op YouTube die blijkt te zijn geproduceerd door een bedrijf dat er belang bij heeft de mening van de consument te manipuleren. Elke week dient zich wel een nieuw schandaal aan dat ons vertrouwen in de informatie die we van het web halen verder beschaamt.
In de digitale wereld met zijn eindeloze stroom aan ongefilterde, door gebruikers voortgebrachte inhoud, zijn de dingen vaak niet wat ze lijken. Zonder redacteuren, controleurs van feiten en beheerders die in de gaten houden wat er wordt geplaatst, hebben we niemand die de betrouwbaarheid of geloofwaardigheid kan waarborgen van de inhoud die we op een site als Xanga, Dogster of Guizilla lezen of zien. Er zijn geen controleurs die waarheden van verzinsels scheiden, serieuze inhoud van reclame, bevestigde informatie van geruchten, of regelrecht bedrog. Wie roept de bloggers ter verantwoording die onze geschiedenis proberen te herschrijven en geruchten als feiten verspreiden? Als we allemaal auteurs zijn, en sommige auteurs verzonnen ‘feiten’ schrijven, wie kunnen we dan vertrouwen?
(…)
De waarheid over 11 september
In 2005 maakten drie jonge aspirant-cineasten uit het stadje Oneonta in het noorden van de staat New York met de tweeduizend dollar die ze verdiend hadden met een baantje in een ijssalon, een tachtig minuten durende film getiteld Loose Change, een ‘documentaire’ (oorspronkelijk bedoeld als een fictief verhaal) waarin werd gesteld dat de terroristische aanvallen van 11 september waren opgezet en uitgevoerd door de regering-Bush. In de vorm van een collage van uit hun verband gerukte citaten en twijfelachtige nieuwsfragmenten schetst de film een ernstig vertekend beeld van de gebeurtenissen. In hun versie zou een van de kapers van Flight 11 na de crash enkele straten verwijderd van het WTC levend zijn aangetroffen, en Flight 93 stortte niet neer in een veld in Pennsylvania maar zou in plaats daarvan naar Cleveland Hopkins Airport zijn gevlogen. En de torens stortten niet in als gevolg van de vliegtuigen die er door islamitische zelfmoordkapers werden in gevlogen, maar door het tot ontploffing brengen van explosieven die vooraf werden aangebracht. Loose Change werd in het voorjaar van 2005 op internet gezet en stond in mei 2006 op de eerste plaats in de top honderd van Google Video’s. Alleen al in het eerste jaar werd de film tien miljoen keer bekeken.1 Dat zijn tien miljoen mensen die een volstrekt misleidend beeld te zien kregen van een van de meest tragische gebeurtenissen in de Amerikaanse geschiedenis.
Van de interpretaties die met Loose Change werden gegeven bleef in het eindrapport van de speciale commissie volstrekt niets overeind. Aan het rapport werd twee jaar gewerkt – kosten: vijftien miljoen dollar – en het werd opgesteld door twee gouverneurs, vier congresleden, drie voormalige functionarissen van het Witte Huis en twee ter zake kundige adviseurs. In wie stel jij meer vertrouwen? In drie amateurs van in de twintig, zonder noemenswaardige opleiding, of in een team van deskundigen bestaande uit intelligente en ervaren functionarissen en onderzoekers? De revisionisten uit Oneonta gebruikten de Web 2.0-technologie om allerlei onzin te verspreiden over een gebeurtenis die duizenden Amerikanen het leven kostte, mondiaal een vijandige houding tegen de islam uitlokte en tot twee oorlogen leidde.
Je zou kunnen stellen dat het voor sommige mensen evident was dat de film een spelletje speelde met de feiten. Maar hoe vaak zijn dergelijke ‘spelletjes’ minder evident? Hoeveel kunnen we geloven of vertrouwen van wat we op internet lezen of zien? Is de persoon die een reclamefilmpje op het web zet of ons een geestige e-mail stuurt zuiver op de graat, of is hij of zij een oplichter, een seksmaniak of nog iets anders?
(…)
Verder is er de kwestie rond Rafe Banks, een advocaat die een voormalige cliënt gerechtelijk vervolgde omdat die laatste hem op zijn blog had aangevallen. De voormalige cliënt lag overhoop met Banks omdat Banks een honorarium van drieduizend dollar niet terug had betaald, en dus beschuldigde hij hem er ten onrechte van rechters om te kopen opdat zij de aanklachten tegen zijn drugsdealende cliënten zouden intrekken, en hij dreigde met meer beschuldigingen te komen als Banks niet zou betalen. Banks werd uiteindelijk in het gelijk gesteld, maar zijn reputatie was toen al onherstelbaar beschadigd.5
De eigenaren van traditionele kranten en nieuwszenders worden wettelijk verantwoordelijk gehouden voor de uitspraken van hun verslaggevers, redacteuren en columnisten, die bijgevolg dienen te beantwoorden aan de door de krant of zender gestelde eisen met betrekking tot de waarheidsgetrouwheid van de inhoud van hun artikelen. Eigenaren van websites zijn daarentegen niet verantwoordelijk voor hetgeen er door derden wordt beweerd. Volgens sommigen heeft dat alles met vrije meningsuiting te maken. Maar tegen welke prijs? Zolang eigenaren van websites en blogs niet verantwoordelijk worden gesteld voor de waarheid van de berichtgevingen, worden ze nauwelijks aangemoedigd de geplaatste berichten op juistheid te controleren.
Op het web kunnen geruchten of desinformatie afkomstig van slechts één bron zich angstwekkend snel verspreiden. Neem de ervaring van Amy Tan, de succesvolle auteur van The Joy Luck Club. In een verhandeling getiteld ‘Personal Errata’6 beschrijft ze hoe onjuiste feiten over haar carrière, achtergrond en persoonlijk leven, hoogstwaarschijnlijk in omloop gebracht door een stukjesschrijver met een rijke fantasie, zich in cyberspace vermenigvuldigden tot het punt waarop ze onlosmakelijk met haar officiële biografie verbonden raakten: dat Tan aan acht verschillende universiteiten had gestudeerd, in een herenhuis in Silicon Valley woonde, twee kinderen had, diverse keren gehuwd was geweest en zowel de Pulitzer- als de Nobelprijs voor literatuur had gewonnen. De echte Amy Tan is in werkelijkheid slechts één keer gehuwd, heeft geen kinderen, woont in een appartement in San Francisco en heeft (nog) geen van de genoemde prijzen gewonnen. Daar waar niemand de geplaatste informatie op waarheid controleert, verspreiden fouten, leugens en geruchten zich in de digitale wereld als bacillen.
Vóór Web 2.0 was onze collectieve geestesgeschiedenis gebaseerd op het zorgvuldig verzamelen van inzichten die met gedegen bronverwijzingen in professioneel geredigeerde boeken en kranten en in radio- en televisieprogramma’s werden gepresenteerd. Maar naarmate alle informatie gedigitaliseerd en gedemocratiseerd wordt en overal en altijd beschikbaar komt, wordt het informatiemedium een internet waarop ook altijd desinformatie aanwezig is. Het gevolg is dat ons collectieve informatiebestand besmet raakt met onjuistheden en bedrog. Blogs zijn via een of meerdere verbindingen aan talloze andere blogs gekoppeld, en MySpace-pagina’s zijn verbonden met talloze andere MySpace-pagina’s, die op hun beurt gekoppeld zijn aan talloze YouTube-video’s, Wikipedia-artikelen en websites van uiteenlopende bronnen en met uiteenlopende doelen. Het is onmogelijk de verbreiding van desinformatie te stuiten, zoals het onmogelijk is de bronnen ervan te identificeren. Toekomstige lezers nemen die desinformatie over en herhalen die, verergeren daarmee het probleem en vormen een collectief geheugen dat wezenlijke gebreken vertoont.

(…)
Eenzame meisjes en handpoppen
Het is niet alleen de informatie zelf die we niet langer kunnen vertrouwen; met de anonimiteit die de Web 2.0-technologie mogelijk maakt, zijn de informatiebronnen van onbekende oorsprong, en zoals we hebben gezien, kunnen die vaak niet worden vertrouwd. Op internet wemelt het van de valse identiteiten – bloggers die zich als iemand anders voordoen, valse MySpace-profielen, valse YouTube-sterren, valse e-mailadressen, valse recensies op sites als Amazon.com (waarvan er sommige duidelijk zijn ingegeven door wraakgevoelens jegens de auteur). Valse identiteiten op internet zijn zelfs zo gangbaar geworden dat er een eigen term aan is gegeven: ‘handpop’, het alter ego dat op een discussieforum of op een blog tot spreekbuis wordt gemaakt.
Twee redelijk bekende voorbeelden zijn de poppen Mikekoshi en sprezzatura. Mikekoshi – wiens echte naam Michael Hiltzik is – is een journalist die de Pulitzerprijs won en die prijs ironisch genoeg in 1999 kreeg voor zijn artikelen over corruptie in de entertainmentindustrie. Hiltzik, die tot april 2006 het ‘Golden State’-blog van The Los Angeles Times onder zijn hoede had, is een ‘felle liberaal’ die regelmatig verwikkeld is in verbeten polemieken met conservatieve bloggers. Maar Hiltzik – wiens lievelingsspreuk op zijn blog luidde: ‘Michael Hiltzik over zaken, economie en meer met een Californische draai’ – bedotte de boel. Hij bedacht een nieuwe identiteit die hij ‘Mikekoshi’ noemde en onder dat pseudoniem verdedigde hij zijn eigen werk vurig op de websites van zijn opponenten.
Lee Siegel, hoofdredacteur van het tijdschrift New Republic en in 2002 winnaar van de National Magazine Award for Reviews and Criticism, bedacht een internetidentiteit die hij ‘sprezzatura’ noemde (het Italiaanse woord voor nonchalance) en onder dat pseudoniem viel hij de liberale media meedogenloos aan. Toen hij ervan werd beschuldigd sprezzatura te zijn, maakte hij zijn bedrog nog een graadje erger door dat categorisch te ontkennen.7
Hiltzik en Siegel werden wegens het schenden van de journalistieke gedragsregels tijdelijk geschorst omdat ze zich voor iemand anders uitgaven (de geldende gedragscode bij The Los Angeles Times schrijft voor dat redacteuren en journalisten zichzelf kenbaar dienen te maken als ze zich publiekelijk uiten) op een manier die vóór de komst van de Web 2.0-technologieën onmogelijk was. In de traditionele nieuwsmedia bestaat er niet zoiets als anonimiteit. Artikelen en bijdragen van derden gaan vergezeld van de naam van de maker, waardoor verslaggevers en contribuanten voor de inhoud verantwoordelijk kunnen worden gehouden. Er dient aan de ethische maatstaven te worden beantwoord waardoor het publiek een zekere waarborg wordt geboden; de schrijver is verantwoordelijk voor zijn of haar verslag of opinie, en als een contribuant voor een politieke partij werkt, of lid is van een partijdige denktank, worden we gewezen op die connectie en op een mogelijk belangenconflict. Als een verslaggever zichzelf of de feiten verkeerd voorstelt, zal die schending worden opgemerkt en kan er ontslag volgen, zoals gebeurd is met Jayson Blair van The New York Times. Maar in de anonieme wereld van de bloggers ontbreken dergelijke waarborgen en is er sprake van een vertrouwenscrisis.
Het handpoppenspel (zowel letterlijk als figuurlijk) tiert ook op YouTube welig. De leugens op YouTube worden zelfs zo goed verteld dat ze tot regelrechte detectiveverhalen zijn uitgegroeid. Zo is er het beroemde verhaal van YouTubes lonelygirl15, een zestienjarige die de ster was in een populaire serie van zelfgemaakte YouTube-video’s waarin er verslag werd gedaan van het leven van een door angst beheerste, eenzame tiener. Sommige kijkers merkten na verloop van tijd op dat de lonelygirl15-video’s hier en daar toch wel erg professioneel waren, waarmee er op de blogs vragen opkwamen over de ware identiteit van het meisje. Sommigen dachten dat YouTube de video mogelijk zelf produceerde in een poging de kijkdichtheid te verhogen. Andere speurneuzen vermoedden dat de in Beverly Hills gevestigde talentenstal Creative Artists Agency (CAA) er de hand in had. Jon Fine van Business Week vroeg zich af of het fenomeen misschien ‘bedacht was’ door scientologen, occultisten of een of andere obscure christelijke sekte.8
De vraag naar de authenticiteit van de video kreeg steeds meer de overhand. Intussen groeide en groeide het publiek en lonelygirl15 werd het op één na meest bekeken item op YouTube. Geen van haar honderdduizenden kijkers leek het iets uit te maken of ze keken naar een doortrapte publiciteitsstunt of naar het gekwelde bestaan van een tobbende tiener. Uiteindelijk bekenden de makers van lonelygirl15, een scenarioschrijver en een filmmaker uit Californië, dat ‘Bree’, het meisje in de video, in werkelijkheid een Australische actrice was van in de twintig genaamd Jessica. De video’s waren een experiment geweest in wat zij ‘een nieuwe kunstvorm’ noemden – uitgewerkte scripts op grond waarvan zij ooit een film hoopten samen te stellen.
Maar als we niet kunnen vertrouwen op de authenticiteit van Bree’s bekentenissen – als haar tienerangst slechts veinzerij was – zijn wij eenvoudig verlakt. Bij mij roept dat de vraag op wat er verder nog op YouTube of in de wereld van de bloggers onder valse vlag rondvaart.
Howard Kurtz van The Washington Post vatte de farce van lonelygirl15 zo samen:

Het geweldige van internet is dat iedereen, zelfs een eenzaam zestienjarig meisje, de eigen gedachten en gevoelens kan vastleggen en een groot publiek kan trekken. Het ergerlijke van internet is dat ze mogelijk niet eenzaam en evenmin zestien is.9

Dit alles wijst op een fundamentele zwakte die eigen is aan de door gebruikers aangeleverde inhoud. We weten nooit zeker of wat we lezen of zien wel is wat het lijkt. Het door gebruikers gerunde internet staat het verzinnen van een valse identiteit niet alleen toe, maar moedigt dat zelfs aan. Toch vraagt niemand zich af waarom we in zo groten getale besluiten te verbergen wie we zijn of waaraan we gelieerd zijn. Het probleem voor diegenen onder ons die meer willen weten van de mensen waarmee ze communiceren, is dat, zoals Jack Shafter, mediacriticus bij Slate.com, stelt ‘er tegenwoordig gewoon te veel plaatsen zijn waar mensen zich kunnen verstoppen’.

(…)

De wijsheid van de massa
In de Web 2.0-wereld is de massa de autoriteit geworden die bepaalt wat waar is en wat niet. Zoekmachines als Google, die met algoritmen werken die de zoekresultaten ordenen overeenkomstig het aantal voorafgaande zoekacties, beantwoorden onze zoekopdrachten niet met dat wat het meest waar of betrouwbaar is, maar slechts met wat het populairst is. Dat betekent dat onze kennis – over van alles, van politiek tot actualiteiten tot literatuur en wetenschap – wordt gevormd door niets anders dan de resultatenverzameling van eerdere zoekacties. De zoekmachine is een kwantitatief historisch verslag van voorafgaande zoekopdrachten. Wat een zoekmachine dus biedt is een classificatiesysteem dat ons de wijsheid van de massa voorzet. Google is, overeenkomstig de links waarop werd geklikt en de sites die werden bezocht, een elektronische spiegel van onszelf.
Het probleem is echter dat de Web 2.0-generatie de resultaten van een zoekmachine voor onomstotelijke waarheden houdt. Veronderstel dat je kind een werkstuk moet maken over het Amerikaanse presidentschap. Het voert de zoekterm ‘Witte Huis’ in om meer aan de weet te komen over de uitvoerende macht en besluit de eerste drie zoekresultaten verder te volgen. De derde link van de zoekresultaten brengt je kind naar WhiteHouse.org – een site die de spot drijft met de politiek en voor het overige bestaat uit pseudonieuws, roddels en aanstootgevende koppen.
En wat meer is, de zoekmachine van Google is eenvoudig te manipuleren en te corrumperen. Een ‘Googlebom’ houdt in dat er een groot aantal sites met een bepaalde pagina worden verbonden, waardoor die pagina hoger op de lijst van zoekresultaten verschijnt. Iedereen die een beetje technisch is aangelegd kan het vermeende democratische internet eenvoudig manipuleren door veel verwijzingen en kruisverwijzingen naar bepaalde pagina’s te maken die ze als de eerste resultaten van een zoekactie willen laten weergeven. Die bommenwerpers of ‘linkdumpers’ proberen de collectieve ‘wijsheid’ die ligt opgeslagen in de algoritmen van Google te beïnvloeden en aan te tasten.
In plaats van de door gebruikers voortgebrachte inhoud staan de Googlebommen dus voor door gebruikers voortgebrachte corruptie. Googlebombardementen zijn uitgegroeid tot een populaire strategie bedoeld om de publieke opinie te beïnvloeden. Tijdens de congresverkiezingen van 2006 werd er middels Googlebombardementen door een blog van liberale signatuur genaamd MyDD.com geprobeerd de republikeinse senaatskandidaat Jon Kyle in diskrediet te brengen door het algoritme zodanig te beïnvloeden dat een zoekactie op zijn naam als een van de eerste resultaten een uiterst kritisch artikel opleverde dat in The Phoenix New Times was verschenen. Voer voor een komischer maar niet minder manipulatief voorbeeld van een Googlebombardement de term ‘miserable failure’ in bij Google en zie wie er verschijnt.
Ook sites waarop het ‘nieuws’ door de gebruikers wordt samengebracht, zoals Digg of Reddit of Rojo, die berusten op het collectieve gedrag van de gebruikers, beperken onze toegang tot eerlijke en evenwichtige informatie. Die sites analyseren de leesgewoonten van hun gebruikers en doen aanbevelingen op basis van de voorkeuren van anderen. Maar als we ons willen informeren, kunnen we niet op een dergelijke methode vertrouwen. Als onze individuele intenties worden overgelaten aan de wijsheid van de massa, wordt onze toegang tot informatie ingeperkt, en het gevolg daarvan is dat ons wereldbeeld en onze visie op de werkelijkheid gevaarlijk vertekend raakt.
Ondanks al hun beweringen dat ze democratischer en eerlijker zijn, creëren deze sociale websites in werkelijkheid een eenzijdiger en corrupter medium. Sociale nieuwssites zoals Digg en Reddit worden gemanipuleerd door zogenaamde ‘influencers’ – mensen die kunstmatig de waarderingen van bepaalde verhalen omhoog brengen op aanbevelingssites. Volgens een analyse die The Wall Street Journal maakte van meer dan 25.000 aanbevelingen op zes verschillende sociale websites, is een kleine groep van dertig gebruikers van Digg, een gemeenschap van 900.000 gebruikers, verantwoordelijk voor een derde van alle berichten op de voorpagina. En op Netscape.com, was één gebruiker (met de bijnaam ‘Stoner’) gedurende veertien dagen verantwoordelijk voor 217 (13 %) van de populairste verhalen. Het onderzoek van The Wall Street Journal onthult dat deze websites de voorkeuren van een selecte groep weerspiegelt in plaats van de ‘wijsheid’ van het volk.
Het meest verontrustend aan sociale netwerksites is dat er veel influencers zijn die de zoekmachines bespelen om hun eigen doelen te promoten. Volgens The Wall Street Journal, verkopen sommige marketingbedrijven inmiddels ‘voorpagina-publiciteit’ op Digg. Anderen betalen om verhalen onder de aandacht te brengen. In oktober 2006 begon User/Submitter.com gebruikers van Digg 10 cent te betalen voor ieder verhaal dat ze aanbevelen. En een zeventienjarige scholier, die ooit de op één na voornaamste gebruiker was op Digg, krijgt nu een maandelijkse vergoeding van $1000,- van Netscape voor het plaatsen van zijn aanbevelingen op de website van Netscape.18 Volkswijsheid is duidelijk een illusie: de anonieme influencers op Digg of Reddit kunnen net zomin worden vertrouwd als de anonieme amateuristische redacteurs bij Wikipedia of de anonieme amateurfilmmakers op YouTube.
Zelfs als er zoiets bestaat als volkswijsheid, moeten we daar dan op vertrouwen? Het antwoord is uiteraard: nee. De geschiedenis heeft bewezen dat de massa vaak niet erg wijs is. Er zijn immers erg veel onverstandige ideeën geweest – slavernij, het doden van pasgeboren kinderen, de oorlog van George W. Bush in Irak, Britney Spears – die extreem populair waren bij de massa. Dat is de reden waarom de deskundigen – zij die spreken op basis van kennis en autoriteit – het laatste woord moeten hebben en niet de winnaars van een populariteitswedstrijd.
In 1841 schreef de Schotse journalist Charles Mackay een klassiek geworden kritiek op de irrationele massa getiteld Extraordinary Popular Delusions and the Madness of Crowds.19 Mackay gebruikte het voorbeeld van de tulpenmanie – Nederlandse kooplieden die al hun bezittingen investeerden in een paar tulpenbollen die heel veel geld waard zouden worden – om aan te tonen dat ‘hele gemeenschappen plotseling op één object gefixeerd kunnen raken en volstrekt hun verstand verliezen in het najagen ervan’. Het staat wel vast dat Mackay vandaag de dag Web 2.0 zou toevoegen aan de lijst met uiterst populaire begoochelingen die de massa in hun greep houden. De huidige grote digitale begoocheling gaat echter gepaard met een andere draai. Met Web 2.0 is de begoocheling de massa die verliefd is geworden op zichzelf.
En is dát werkelijk de wijsheid van de massa?

Uit: De @-Cultuur (Meulenhoff 2008) van Andrew Keen. Uit het Engels vertaald door R. Kruis (Originele titel: The Cult of the Amateur. How the Internet is Killing Our Culture and Assaulting Our Economy). ISBN: 978-90-290-8119-1

Extra afbeeldingen

Zoom
andrew keen de apencultuur

0 Reacties

Er zijn nog geen reacties

* Verplichte velden

Wat is uw reactie?