Een portret van duurzaam Limburg In het zuiden schijnt de zon

- Zoom
- Gen Coel
- De mijnwater-eneriecentrale is gebouwd onder in nieuwbouwcomplex Gen Coel in Heerlen, om warmte en koeling te leveren aan 350 wooneenheden, een supermarkt en een gemeenschapscentrum met openbare bibliotheek. Het ontwerp is geinspireerd op de koeltorens van de oude mijnen.
Zonne-energie als oplossing voor het energieprobleem is geen onvervulbare droom maar een reële mogelijkheid, schetste Tegenlicht vorige week in de documentaire ‘Here comes the sun’. Dus: weg met die fossiele brandstoffen, adieu kernenergie? Helaas. Vooralsnog lijkt de Nederlandse overheid zich niet op te maken voor een massale overgang op zonne-energie. Toch zijn er op regionaal niveau hoopgevende ontwikkelingen aan de gang, met name in de zuidelijkste provincie van ons land. Sinds een jaar of twee is duurzaamheid, waaronder zonne-energie en mijnwater-energie, hier verworden tot een ‘hot topic’. Tegenlicht ging op onderzoek uit en nam een kijkje in de keuken van duurzaam Limburg. Waarom zijn juist de Limburgers koploper op dit gebied?
Een portret van duurzaam Limburg
‘CRADELEN’ IN HET PROVINCIEHUIS
Het Limburgs provinciehuis in Maastricht, voorzien van de toepasselijke naam ‘het Gouvernement aan de Maas’ lijkt de juiste plek om onze zoektocht te starten. Waar komt dit engagement met duurzaamheid vandaan en waarom manifesteert zich dat zo duidelijk in de meest zuidelijke provincie van ons land? We vragen het aan Paul Levels, programmamanager van de afdeling Milieu en Duurzame Ontwikkeling. Volgens hem begon het allemaal in oktober 2006, toen Michael Braungart en William McDonough hun cradle to cradle (C2C) filosofie uit de doeken deden in de Tegenlicht documentaire ‘Afval = Voedsel’. Hun idee dat ons afval moet dienen als grondstof voor nieuwe producten vond in het zuiden onmiddellijk veel weerklank. Levels: “Er werd een vonk losgemaakt. Bij de Kamer van Koophandel was men direct enthousiast en hetzelfde was het geval voor medewerkers van de provincie. Iedereen wist: ‘Dit is iets waarmee we aan de slag moeten’”.
En zo werd C2C het laatste puzzelstukje waarmee een aantal bestaande ontwikkelingen tot één geheel werden gesmeed. “Eind 2006 stonden we aan de vooravond van de Provinciale Statenverkiezingen”, vertelt Levels. “Duurzaamheid was een item bij deze verkiezing, onder andere omdat men in de regio Venlo zocht naar een manier om zich te onderscheiden. Ook had het onafhankelijke ‘Platform Duurzaam Limburg’ de provincie geadviseerd een slag te maken met duurzame ontwikkeling. Niet alleen vanwege het milieu, maar ook vanwege de voordelen die dat zou opleveren op sociaal en economisch vlak. Bovendien wilden wij de economische sector een impuls geven aan de hand van de versnellingsagenda, die het toekomstperspectief voor de Limburgse economie in 2012 schetst”. Precies op het goede moment gaf C2C dus een concreet antwoord op de ambitie van de provincie, die er volgens Levels in bestaat “zich te willen onderscheiden als innovatieve en kennisintensieve regio”. De grote aantrekkingskracht van de C2C filosofie ligt dan ook in het feit dat zij economische vooruitgang stimuleert. Levels: “Vroeger werd de interesse in duurzaamheid voornamelijk gemotiveerd door een bezorgdheid om het milieu. De milieukwaliteit in Limburg is de laatste tien jaar echter zo vooruitgegaan, dat tegenwoordig economische motieven de grootste drijfveer vormen voor onze betrokkenheid bij duurzaamheid. Het is noodzaak om in de toekomst economisch goed te kunnen blijven functioneren. Juist die economische vooruitgang is verweven in de boodschap van C2C, want om ‘cradle’ te kunnen zijn heb je innovatie en economische vernieuwing nodig”. Milieu en economie staan dus niet meer op gespannen voet en het begrip ‘consuminderen’ lijkt definitief passé. Consumeren mag, mits het op de goede manier gebeurt. “Daarom slaat C2C ook aan”, concludeert Levels.
En of het aanslaat. Dat er sprake is van meer dan een kortstondige liefdesaffaire is tussen de provincie en de ideeën ontwikkeld door Braungart en McDonough blijkt wel uit de lange lijst van projecten die op dit moment in Limburg ontworpen en verwezenlijkt worden. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de gebiedsontwikkeling van Greenport Venlo - een van de vijf aangewezen Greenports in Nederland, waar grote economische ontwikkelingen zullen moeten gaan plaatsvinden - en het A2-project in Maastricht. Toch is het niet alléén maar rozengeur en maneschijn, maakt Levels duidelijk. Hij legt uit dat het vaak lastig is het C2C concept naar de praktijk te vertalen: “Wanneer is iets nu ‘cradle’? Als je een project C2C wilt laten certificeren door Michael Braungarts ‘Environmental Protection and Encouragement Agency’, dan gelden er wel meer dan 40 criteria. Dit gaat heel ver. Als je één van de criteria niet haalt, is je product of proces niet ‘cradle’, ook al is het in feite een prima en duurzaam product”.
Hij concludeert dat er dus nog een hoop kennisvragen open liggen. “Wat we niet moeten willen”, zegt hij, “is zo snel en zoveel mogelijk certificeren. We moeten innoveren en tegelijkertijd transparant zijn, nadenken over wat we wel en (nog) niet bereikt hebben”. In een ideale situatie zou dit gebeuren in samenwerking met universiteiten en hogescholen, iets waar men op dit moment mee bezig is. Zo hebben de hogescholen Zuyd en Fontys reeds interesse getoond om de C2C gedachte in te bouwen in hun curricula, zijn er plannen voor de oprichting van een C2C masteropleiding en wordt er gewerkt aan de komst van een heuse Solar Academy, een post-WO/HBO opleiding voor mensen die aan de slag willen in de zonne-industrie. “Hoewel dit laatste niet perse met C2C heeft te maken”, voegt Levels toe. “Maar het heeft wel veel te maken met innovatie”. En innovatie, zo hebben we gezien, is in Limburg het toverwoord.
MIJNWATERPROJECT
Door het grote enthousiasme voor C2C dat bij de provincie aanwezig is, zouden we haast vergeten dat er in Limburg nog andere ontwikkelingen aan de gang zijn op duurzaam gebied. Deze worden niet ‘cradle’ genoemd of gecertificeerd, maar de achterliggende ambities zijn hetzelfde. Een voorbeeld hiervan is het mijnwaterproject, gesteund door de Europese Unie. In Heerlen werd onlangs de eerste mijnwater energiecentrale ter wereld geopend als resultaat van een internationaal samenwerkingsverband tussen Nederland, Engeland, Frankrijk en Duitsland. Nadat de Limburgse steenkolenmijnen in de jaren ’70 hun deuren sloten, zijn de oude mijngangen volgelopen met water. Er wordt nu gekeken naar de mogelijkheden om huizen en kantoren te verwarmen of af te koelen met gebruik hiervan. Nog een item dat hoog op de Limburgse agenda staat is zonne-energie. Op de website van de provincie is te lezen dat men extra wil inzetten op zonne-energie, “enerzijds omdat de zon een onuitputbare energiebron is en anderzijds omdat de ontwikkeling van zonnecellen een kansrijk economisch cluster is in onze provincie”. Daarnaast vormt het gebruik van zonne-energie één van de basisprincipes van C2C - en zo is de cirkel rond.
ZONNE-ENERGIE IN HET ZUIDEN
Om meer te weten te komen over zonne-energie benaderen we Gosse Boxhoorn, oprichter en sinds kort ex-directeur van Nederlands grootste zonnecellenproducent Solland Solar. Over zijn recente ontslag door het energiebedrijf Delta - op dat moment in het bezit van 90 procent van de aandelen van Solland - wil hij het niet hebben, maar des te enthousiaster vertelt hij over zijn ervaringen als duurzame ondernemer in Limburg. Boxhoorn: “Ik zie dat de provincie als onderdeel van de versnellingsagenda duidelijke keuzes maakt voor duurzaamheid. Ik vergelijk het altijd met de Olympische spelen: je kunt aan heel veel onderdelen meedoen, maar pas als je een keuze maakt voor één sport kun je ergens goed in worden. Omdat de provincie duidelijke keuzes maakt reageren andere instellingen hier op, zoals lagere overheden en scholen. En dat is goed, want alleen samen kunnen we iets bereiken”.
Ten tijde van de oprichting van Solland maakte Boxhoorn zelf ook een bewuste keuze, toen hij besloot zijn toekomstige bedrijf in Zuid-Limburg te vestigen. “We zitten hier in een gouden driehoek, omdat we ons bevinden in het hart van een technische topregio. De universiteiten van Eindhoven, Aken en Leuven liggen alle drie in de buurt. De Universiteit Maastricht mag natuurlijk ook niet vergeten worden, ook al is dit geen technische universiteit. Er is in deze omgeving dus een potentieel aan kennis aanwezig. Bovendien zijn er veel jonge mensen die een baan zoeken, bij voorkeur in de regio. En die banen moeten gecreëerd worden”. Daarbij is het natuurlijk een feit dat “Limburg iets met energie heeft”, zoals Boxhoorn het uitdrukt. “Dit is een historisch gegeven in Limburg. Vroeger waren hier de kolenmijnen en DSM is in deze regio bezig met de productie van nieuwe materialen. De kennis die zo wordt opgedaan kunnen we ook toepassen in zonne-energie systemen. Het is dus geen gekke keuze om hier te kiezen voor nieuwe energie, zonne-energie”.
Toch heeft hij ook het een en ander aan te merken op het (duurzaam) ondernemersklimaat in Nederland. Hoewel hij de provincie looft vanwege het feit dat zij haar beleidsmatige keuzes baseert op de aanwezige infrastructuur en bedrijven in de buurt, zeg hij deze duidelijke keuzes te missen op nationaal niveau. Boxhoorn: “Over technologische ontwikkelingen valt in Nederland niet te klagen: we hebben topuniversiteiten en we tellen mee wat betreft publicaties en octrooien. Maar daar heb je niet zo veel aan als er geen ondernemingen zijn die hier iets mee doen. Er is te weinig kennis en ondersteuning om de beschikbare technologie naar de markt te brengen. We lopen in Nederland achter in het opzetten van nieuwe bedrijven en dat is zorgelijk. We moeten niet afglijden naar een land van handel en visserij, zoals dat vroeger het geval was”.
Volgens Boxhoorn moet de overheid zich vaker de vraag stellen: hoe kunnen we van een nieuw product idee, of technologische ontwikkeling een economisch succes maken? Een aanpassing in het subsidiesysteem zou een eerste stap in de goede richting zijn, gelooft hij. “Er zou een organisatie moeten komen met een beperkt aantal subsidiemogelijkheden om het huidige systeem, dat bestaat uit een zeer ondoorzichtig labyrint van subsidiestromen, te vervangen. Ook wordt er op dit moment geen onderscheid gemaakt tussen kleine en grote bedrijven wanneer het gaat om het toekennen van subsidies. Startende bedrijven en het midden- en klein bedrijf (MKB) hebben steun nodig en we weten al jaren dat juist het MKB zorgt voor werkgelegenheid, veel meer dan het geval is voor multinationals. Deze hebben namelijk de vrijheid om te beslissen of ze hun fabriek in Nederland of in China zullen huisvesten en zorgen hier niet per se voor banengroei. Op die manier heb je dus niks aan de subsidies”.
Over werkgelegenheid gesproken: naar verwachting zal begin 2010 in Sittard de eerste Nederlandse siliciumfabriek haar deuren openen, ‘The Silicon Mine’, waarvan Boxhoorn één van de initiatiefnemers is. In deze fabriek zal silicium worden vervaardigd dat men gebruikt voor de productie van wafers, die als grondstof voor zonnecellen dienen. Naar schatting zal de fabriek werkgelegenheid gaan bieden aan zo’n vierhonderd personen. En zo is het maar weer eens mooi geïllustreerd: innovatie en duurzame energie gaan hand in hand en zorgen, als alles volgens plan verloopt, voor een groeiende werkgelegenheid en economie. Die Limburgers hebben het goed bekeken, nu de rest van het land nog.
Door Jolien Linssen