Stel je een wereld voor waarin drones continu aanwezig zijn. Waarin je constant rekening houdt met hun mogelijke dreigingen en de vraag: wie bestuurt dat ding?
Voor Mikko Hyppönen is het geen uitzondering meer. De bekende Finse cybersecurity-expert, die de overstap maakte van cybersecurity naar de drone-sector, leeft al in een nieuwe realiteit, die voor de rest van ons nog futuristisch voelt.
Dat Hyppönen werkt aan fysieke drone-afweer ligt niet per se in de lijn der verwachtingen. Hij was een man van het cyberdomein: software en malware die draait op computernetwerken ver weg. Maar hij zag dat domein veranderen: cyberoorlog bleef steeds minder beperkt tot schermen en servers. De digitale wereld begon de fysieke werkelijkheid binnen te dringen.
Ooit waren hackers hobbyisten, daarna criminelen. Maar vanaf begin deze eeuw begonnen staten zich actief met cyberaanvallen bezig te houden. Met als waterscheiding Stuxnet, de aanval op het Iraanse kernprogramma in 2010, waarbij een venijnig stukje software uiteindelijk echte uraniumcentrifuges vernietigde, met mogelijk dodelijke consequenties voor wie daar op dat moment in de buurt stond. Voor Hyppönen was dat de dag dat de informatica zijn onschuld verloor, een beetje zoals de natuurkunde dat deed met de eerste atoombom.
Drones zijn in deze steeds fysiekere cyberoorlog simpelweg de nieuwste toevoeging aan het “hybride” arsenaal van staten. Het zijn laagdrempelig inzetbare, redelijk onzichtbare horzels die dingen kunnen verstoren en ontwrichten. Hyppönen werkt daarom aan technologie die drones kan detecteren, verstoren en uiteindelijk uitschakelen. Zijn nieuwste project is militair: een mobiele fabriek in een container, die je overal ter wereld kunt neerzetten en die ter plekke anti-drone-drones kan 3D-printen.
De grote vraag: hoeveel hiervan gaan we hier terugzien, waar geen oorlog woedt? Hyppönen's verhaal, wiens familie moest vluchten uit de regio Karelië toen Rusland dat annexeerde, geeft daar een antwoord op dat ongemakkelijk dichtbij komt.