Vrijwel ongemerkt verschuift de wereld: van een keiharde ‘war on drugs’ naar legalisering en medische toepassingen. Cannabis wordt gelegaliseerd, psychedelica worden onderzocht als therapie. Dat lijkt op vooruitgang. Maar, weet: legaliseren is één, hoe je dat doet is twee.
Neem Colorado. Zodra cannabis legaal werd, stond de industrie klaar. Investeringsfondsen, start-up hubs. De marketingmachines sprongen aan. Wat eerst verboden was, werd in korte tijd een groeimarkt. En een groeimarkt moet groeien. Er moet elk jaar meer verkocht worden — niet omdat mensen het nodig hebben, maar omdat het rendement moet opleveren.
Maar wil je dat drugs dezelfde marktlogica volgen als fast fashion of fast food?
Het kan ook anders. In Duitsland ligt de nadruk op non-profit cannabisclubs, op gemeenschap en gecontroleerde distributie. In New York ging legalisering gepaard met een poging om onrecht recht te zetten: mensen met een veroordeling voor cannabis kregen voorrang in de nieuwe markt.
Maar zelfs daar blijft de vraag: wie profiteert uiteindelijk?
Die vraag speelt ook bij medische toepassing. Als psychedelica of andere middelen door de farmaceutische industrie op de markt worden gebracht, dreigt een bekend patroon: patenten, hoge prijzen, beperkte toegang. Wat ooit een gedeelde bron van kennis was, wordt dan een product.
Koram neemt ook het verleden mee in zijn onderzoek. Van koloniale opiumhandel door de VOC in Indonesië tot de Amerikaanse ‘war on drugs’: drugsbeleid ging altijd over macht, controle en geld. Gezondheid stond lang niet altijd bovenaan.
Nu zitten we in een vreemde tussenfase. In het ene land kun je miljardair worden met de handel in cannabis, een paar honderd kilometer verderop kun je er jaren cel voor krijgen. In deze tijd, zegt Koram, hebben we nog iets te kiezen over hoe we willen dat dit verder ontwikkelt. Over wie eraan verdient als drugs op meer plekken wordt gelegaliseerd. En wie de lasten draagt.
Meer: