De vloek van het genie volgens Helen Lewis

Accepteer de 'social' cookies voor deze 'youtube'-embed.

cookie-instellingen aanpassen

Mannen die de geschiedenis vormden, de wereld veroverden, veranderden, verder brachten... Het genie. Zonder geen vooruitgang. Trap er niet in, in dat met zorg opgetuigde maar o-zo bedrieglijke beeld van een genie. Want hoe meer mensen erin trappen, hoe groter de invloedssfeer. En daarin schuilt gevaar.

I’m a very stable genius,’ klopte Trump zichzelf grijnzend op de schouder na een bewogen NAVO-top in Brussel in 2018. Het was niet de eerste keer dat hij zich stabiele genialiteit toedichtte – en ook zeker niet de laatste. Niet alleen zichzelf, maar ook mensen met wie hij samenwerkt mag hij graag zalven met het label. Trump spaart genieën, zogezegd. 

‘Nou en?’, zou je kunnen denken. En op zich is dat een terechte gedachte, want inderdaad: wat maakt het nou uit dat een Amerikaanse president zo belust is op eretiteltjes?  

Omdat die eretiteltjes vaak dienstdoen als intellectueel rookgordijn – met alle gevolgen van dien. Let op:  

‘Genie’ is geen neutrale beschrijving, maar een sociaal geconstrueerde status die macht legitimeert. Het gevaar zit ’m in de vertekening van verantwoordelijkheid. Wie als genie wordt gezien, krijgt per definitie een uitzonderingspositie: fouten worden gebagatelliseerd, gedrag wordt gerationaliseerd. En daarmee creëert het label een morele asymmetrie, namelijk: hetzelfde gedrag dat bij een ‘normaal’ persoon wordt veroordeeld, wordt bij een ‘genie’ gedoogd of zelfs bewonderd. Dat ondermijnt niet alleen ethische standaarden, maar ook institutionele checks and balances

Terug naar Trump en zijn schouderklopperij: dat Trump herhaaldelijk naar zichzelf verwijst als stabiel genie (fun fact: Trump zou eens gegrapt hebben dat zijn middelste initiaal J staat voor Genius), is niet zozeer bedoeld als bewijslast voor zijn zogenaamde intellectuele superioriteit, maar veel meer als retorisch schild waarmee hij elke vorm van kritiek kan afdoen als onbegrip voor zijn genialiteit. Het label fungeert hier dus niet als erkenning van uitzonderlijk inzicht, maar als instrument om twijfel en kritiek naar hartenlust te tackelen en ondermijnen. 

We weten inmiddels wat dat ons, in Trumps geval, heeft gebracht: niets dan doffe ellende en een derde wereldoorlog toe. En dan te bedenken dat er nog veel meer vermeende genieën rondlopen die we toch vrij massaal en straffeloos hun goddelijke gang laten gaan. Kortom: hoog tijd om die mythe van het genie neer te sabelen en de sokkel onder het genie weg te schoppen. 

Dat doen we met journalist Helen Lewis. In haar boek The Genius Myth ontmantelt Lewis het idee dat uitzonderlijke prestaties voortkomen uit een bijna bovennatuurlijke individuele gave. Het vervormt hoe we succes verklaren, hoe we leiders beoordelen en hoe we falen begrijpen. Lewis benadrukt hoe dit mechanisme machtsmisbruik maskeert en zelfs legitimeert: genialiteit fungeert als moreel schild.  

Of we – alle zojuist opgedane kennis ten spijt – niet tòch wat genieën nodig hebben om de (nogal) prangende kwesties van deze tijd mee op te kunnen lossen? Nee, is het antwoord. Want door genialiteit te verheffen tot zeldzame eigenschap van enkelen, worden collectieve bijdragen systematisch ondergewaardeerd. Het is zelden één persoon die iets oplost, maar bijna altijd een collectief.